|
Competentiemanagement ROC West-Brabant
De reclamemakers en
marketingdeskundigen van Verkade zaten in het verleden met een groot probleem:
hoe de oude kwaliteit te garanderen en in de verpakking en de uitstraling mee
te gaan met de “kinderen van de tijd”? Ze bedachten toen de prachtige
slogan:
Ton Nijenhof
“Vertrouwde smikkel in een nieuwe
wikkel”
In
menige onderwijsomgeving ,ook aan de top, hoor je heden ten dage nog de
opmerking: competentiemanagement? Dat is oude wijn in nieuwe zakken. Immers,
vroeger had je bij functie – eisen het verschil tussen harde en zachte
gedragscriteria; nu noemen ze dat competenties.
Voor
een deel is dat waar, maar als je meent van competentiemanagement geen chocolade
te hoeven maken is er toch iets mis. Waarom is het nodig pogingen te ondernemen
er wel chocolade van te maken? Daarop zal ik in dit artikel
ingaan.
Instituties
In
zijn boek “De strategie van de hoop” gaat professor dr. C. Zwart, hoogleraar
organisatie – ontwikkeling en menselijke kwaliteit aan de Erasmus Universiteit
te Rotterdam, in op het volgende maatschappelijke probleem.
Bij de
val van de muur zijn fundamentele en eeuwenoude sociale mechanismen op de
schroothoop terecht gekomen. Het denken in machtsblokken verdween en daarmee als
uitvloeisel van bi-centrisme de psychologie van de zondebok: het “wij –
zij-denken” of de schuld bij een ander leggen. Een nieuwe ethiek ontwikkelde
zich dan ook. Niet de gebodsethiek, maar een ethiek van samen onderweg gebaseerd
op een zelfverantwoordelijke houding.
Naast
koersbepaling is er ruimte nodig voor koerszoekend, teambepalend en zelfbepalend
bezig zijn. Maar hoe verhouden koersbepaling, teambepaling en zelfbepaling tot
elkaar binnen onze organisaties?
Hoop
is daarbij van wezensbelang. Niet als een vaag en geruststellend gevoel dat de
dingen vanzelf wel goed zullen komen en evenmin als een automatisch verlengstuk
van het verleden. Hoop is daarbij geen naïef verlangen, maar een functioneel principe
Veel
onderwijsinstituties zijn nog sterk gehecht aan oude vormen. Bij
schaalvergroting wordt dan ook niet ingestoken op koerszoekend, teambepalend en
zelfbepalend bezig zijn, maar op positiemacht die wordt versterkt door oude
rigide managementopvattingen. Hiermee doet het “wij – zij – denken”zijn
herintreden in de organisatie en ondanks mooie glossy strategische
beleidsplannen naar de buitenwereld blijft de achterban “sad and angry” morren.
Afstand doen van teveel vorm om daardoor weer toegankelijker te worden
voor nieuwe impulsen, is voor veel organisaties nog een moeilijke opgave en toch
is het noodzakelijk..
De “doe – het – zelf –
kliniek”
Verantwoordelijkheid
management
De top
van een onderwijsinstelling heeft de plicht als ze meent aanbod gestuurd te
werken veel werk te maken van het competentiegericht leren zowel in het primair
beleid als in het flankerend beleid.
Vanuit
het management van de ING –groep hoorde ik recent dat een ROC een
stagecoördinator op werkbezoek had
gestuurd om te bezien welke competenties in het opleidingsprogramma zouden
moeten worden opgenomen. Een lofwaardig streven.
De man
beklaagde zich er echter over dat vanuit het College van Bestuur geen enkele
sturing werd gegeven aan het competentiegericht leren en evenmin aan een
strategie die medewerkers zou moeten voorbereiden op dit nieuwe
leren.
Het
kan natuurlijk nooit iets worden als een College van Bestuur een dergelijke
afstand neemt tot primair proces en kerntaken van de medewerkers. Het management
van ING heeft nadien ook nooit meer iets van de stagecoördinator mogen vernemen.
Verantwoordelijkheid
medewerkers
Medewerkers die zich vanuit een grote verantwoordelijkheid op een taak
storten zonder juiste instructie en begeleiding hebben grote kans eveneens
slachtoffer te worden. Het geheel doet me denken aan een verhaal van Jan Brusse
over doe – het – zelf – klinieken, klinieken waar men je heen voerde als je
slachtoffer was geworden van de charmante doe – het – zelf – sport. Een klein
citaat: “… Daar liggen ze gezellig onder elkaar. Wanneer een buurman zijn arm
mist, weet je dat hij de cirkelzaag nog niet in zijn macht heeft. Gekke
gezichten zijn niet stil blijven staan toen de klok twaalf sloeg, maar toen de
hoogspanning de doe – het - zelver verstijfde. En zo liggen ze daar gezellig te
vertellen hoe handig ze thuis toch wel zijn.”
Strategie en opbrengsten van
competentiemanagement.
Strategie en competentiemanagement hebben alleen zin als met de
strategie voorwaarden scheppende competenties bepaald worden die rechtstreeks
van de organisatiestrategie en van de organisatiedoelen worden afgeleid en die
daarom van alle medewerkers verwacht worden. Zulke competenties worden
kerncompetenties genoemd, omdat ze van strategisch belang zijn voor het bereiken
van organisatiedoelen.Of anders gezegd: het zijn die competenties die de
organisatie een betere toegang tot de markt verschaffen en die bijdragen aan
voordelen van het eindproduct die door de klant worden waargenomen en
vastgesteld.
Het
gemakkelijkst zou het mogelijk zijn de vereiste en gewenste competenties in huis
te halen door nieuwe medewerkers aan te trekken en te
selecteren.
Omdat
dit een onmogelijkheid is in de realiteit van alledag zal door training- en
opleidingsprogramma’s, door mentoring en coaching en door taakinventarisatie,
taakdefiniëring, taaktoewijzing,
taakroulatie, taakverrijking of taakverbreding de nieuwe realiteit moeten worden
ontwikkeld.
Cultuur en interpersoonlijke vaardigheden en gedragsvaardigheden moeten
– inclusief nieuwe technologie – worden ingeslepen.Teamsamenstelling en
teambuilding zijn daarbij essentieel. Afgeleid van de strategie moet dus een
verregaande decentralisatie realiteit kunnen zijn of worden. Immers, het spel
van vasthouden en loslaten vraagt binnen alle ROC’s nog veel
oefening.
Achilleshiel
Hoe
komen we nu tot een goede relatie tussen gewenste organisatietypering en
gewenste competenties van de medewerkers? Dit is nog niet zo’n eenvoudige
opdracht.
Uit
veel onderzoek blijkt immers dat attitudes en het gedrag van de gemiddelde
medewerker min of meer overeenkomen met het oude karakter van de
organisatie.Frappant is dat dit niet alleen geldt voor medewerkers die al langer
tot de organisatie behoren, maar dat de neiging bestaat om tijdens werving en
selectie nieuwe medewerkers aan te trekken die passen in het ( oude ) ,
gevestigde beeld.
Een
nieuwe strategie en een ander organisatiekarakter hebben derhalve verregaande
implicaties. In mijn opvatting is het dan ook niet mogelijk, dat een organisatie
zonder enige deskundige hulp van buiten zichzelf “uit het moeras trekt” of zich
de nieuwe habitus eigen maakt. Het beeld van het moeras is niet willekeurig.
Immers binnen de onderscheiden lagen van competentie zuigen oude attitudes en
drijfveren vanuit een diepe en verborgen laag. Het is dan ook zeer de vraag of
de eigen P – functie van de organisatie voldoende kracht heeft of kan
ontwikkelen om het nieuw educatief ondernemerschap van de door de vraagkant
verlangde onderwijsprofessionals adequaat te ondersteunen.
Organisatie
Ontwikkelingstraject DIPO
Hoe dichten we de
kloof?
In
mijn onderwijspraktijk heb ik kennisgenomen van de werkwijze van veel
adviesbureaus die zich met deze lastige materie bezighouden. Om te kunnen
bepalen welke competenties er zijn en in de nabije toekomst nodig zijn, is
gewenst om op geaggregeerd niveau snel en zorgvuldig een analyse te kunnen maken
tussen de gewenste en aanwezige competenties binnen het onderdeel van de
organisatie en dat op een begrijpelijke en dynamisch, praktische wijze te doen.
Hoe deze kloof te dichten?
Het charmante en doelmatige binnen de werkwijze van DIPO
vind ik, is dat er in een redelijk beperkte tijd antwoord is gegeven op de
volgende vragen:
- wat zijn de competenties van vandaag
- de blik op morgen verlangt…
- hoe dichten we die kloof
- welke meetinstrumenten staan ons daarbij ter beschikking
- respectvol erkennen van de grenzen van de
ontwikkelbaarheid
- fouten maken mag, maar ook een oprechte bereidheid om goede feedback te
geven en dat als normaal te aanvaarden moet ontwikkeld worden
- werven, trainen, coachen en managen
“Scheppen, riep hij, gaat van au” en
het resultaat
Het
zal geen verder betoog behoeven, dat het baren van een kind vaak niet zonder
pijn kan en met stevige weeën gepaard
gaat. Zo ook binnen dit proces. Gelet op proces en resultaat kan echter
gesproken worden van een “wolk van een kind van vlees en bloed”.
Allereerst wordt bepaald wat de visie op onderwijs is en
daarna heel concreet:
- wat betekent dat
- waartoe leidt dat
- hoe komt dat tot stand bij de
deelnemer
- wat is daarvoor nodig bij
medewerkers en bij deelnemers
- het vastleggen van taakvelden en
kaders voor organisatie en uitvoering
- verantwoordelijkheden en
bevoegdheden
- permanente gerichte
professionalisering
- ontwikkeling en
hantering
- vastleggen domeinen en
domeinverantwoordelijkheden
- het beleggen van functierollen,
taakrollen en kerntaken.
Het is
mogelijk gebleken binnen een zwangerschap van twee jaar “een wolk ter wereld te
brengen die is toegerust voor de toekomst”. Hierbij was de rol van DIPO als
verloskundige onontbeerlijk. Mocht U een verloskundige zoeken? DIPO, van harte
aanbevolen.
Ton Neijenhof, MA
Oud College van Bestuurslid van een
ROC en redacteur toolkit onderwijsmanagement Kluwer.
|