








|
Competentiemanagement
als hefboom voor de professionalisering van HRM
De
belangstelling voor competenties en competentiemanagement ontstond begin jaren
negentig. Organisaties werden zich bewust dat alleen het in huis hebben van
kennis niet voldoende is om succesvol te zijn.
'Plannen en organiseren', 'klantgerichtheid' of
'samenwerken' werden niet langer gedefinieerd in termen van 'kwalificaties' of
'bekwaamheden', maar gegroepeerd onder de noemer 'competenties'. Competenties
verwijzen naar het geheel van observeerbare kennis, vaardigheden, ervaring,
houding en persoonskenmerken die werknemers nodig hebben om een functie en/of
taak succesvol te kunnen uitoefenen.
Competenties kunnen we observeren en dus ook meten.
Consequentie is dat we ze dus ook in vele gevallen kunnen managen en een
belangrijk extra managementinstrument in handen hebben.
Competentiemanagement is er op gericht competenties
van individuen en groepen optimaal in te zetten en te ontwikkelen. Dit met het
oog op de realisatie van de organisatiedoelstellingen en de aanscherping van het
prestatieniveau van de medewerkers. Een win-win situatie dus, waar werknemer én
organisatie baat bij hebben. Door medewerkers te laten groeien, ontwikkelt
immers ook de organisatie. Werknemers kunnen op hun beurt hun kennis en kunde
ontwikkelen en opwaarderen, waardoor hun inzetbaarheid op de interne en externe
arbeidsmarkt vergroot.
Competentiemanagement –
veranderingen en uitdagingen
In de discussies over
competentiemanagement die (mede in het onderwijs worden gevoerd mede in het
kader van integraal personeelsbeleid), vallen steeds vaker de termen
competentiebeoordeling en -beloning. Zonder twijfel zijn dit twee belangrijke
activiteiten die vallen onder de noemer van competentiemanagement. Maar er
schuilt een gevaar in een te eenzijdige benadering van competentiemanagement.
Wanneer de focus nu eenzijdig wordt gelegd op competentiebeoordeling en
-beloning is dat niet helemaal logisch en zeker niet zinvol. Daarbij komt dat
eerst de vraag moet worden beantwoord: waarom zouden onderwijsinstellingen zich
bezig gaan houden met competentiemanagement?
Veranderingen en
uitdagingen
Constateren dat het onderwijs met grote veranderingen
en uitdagingen te maken heeft is niets nieuws onder de zon. De snel veranderende
samenleving verwacht snel veranderend onderwijs. Die verwachting vertaalt zich
in de roep om kwaliteitszorg, van zowel overheid als ouders en leerlingen,
waarbij ook de juridisering van de samenleving zich doet voelen. Omdat overheid,
ouders en leerlingen steeds meer verwachten van het onderwijs, zijn scholen
steeds meer genoodzaakt verantwoording af te leggen over hun kwaliteit en dus
transparant te opereren.
Bovendien verwacht de kennismaatschappij een
aangepaste inhoud van het onderwijs. Het studiehuisconcept en de aandacht voor
het leren leren zijn een antwoord hierop. De transformatie van docentgericht
onderwijs naar een studiegerichte aanpak is waar alle onderwijsinstellingen in
zowel voortgezet als hoger onderwijs op dit moment dan ook mee te maken
hebben.
Dit alles, kwaliteitszorg, mondige en veeleisende klanten en een
drastische verandering van didactiek, vindt plaats in een ingewikkelde en
problematische setting. Door een veranderd bekostigingssysteem met een daaruit
voortvloeiende grotere autonomie op financieel gebied, zijn schoolleidingen en
schoolbesturen nadrukkelijker dan voorheen als werkgever gaan optreden, niet
zelden met moeizame cultuurveranderingen als gevolg. Veel scholen zitten nog
steeds midden in dit veranderingsproces, wat ook wel omschreven wordt als de
transformatie van een ambtelijk politieke cultuur naar een professionele
cultuur. Daarbij hebben ook scholen te maken met een uiterst krappe
arbeidsmarkt, waarbij her en der de neiging ontstaat de professionele eisen die
aan docenten gesteld mogen worden naar beneden bij te stellen om te voorkomen
dat mensen weglopen. Het gaat hierbij niet om de vraag bevoegd of bekwaam maar
vooral om de eisen die aan een professional gesteld mogen worden. Ook in de
werving en selectie zien we de neiging ontstaan minder kritisch te zijn.
Bovendien zien we in de beloningssfeer het verschijnsel ontstaan dat soms hogere
schalen aan docenten in de zogenaamde schaarse vakken worden toegekend, wat in
feite een grote stap terug betekent in het licht van recente ontwikkelingen rond
competentiebeloning.
Naast deze ontwikkelingen is er voor veel scholen ook de
invloed van een concurrentiestrijd. Een strijd die vaak gevoerd wordt op het
niveau van reageren op wat omliggende scholen doen en die vaak niet leidt tot
het maken van heldere keuzes. Wanneer een school er gedurende een langere
periode in slaagt hetzelfde beter te doen dan z'n concurrent, zal er sprake zijn
van groei. Groei die vanzelf ophoudt als de problemen met bijvoorbeeld het
vervullen van daardoor ontstane vacatures niet meer op te lossen zijn, waardoor
in de ogen van de klant de concurrent het weer beter doet en die op zijn beurt
weer gaat groeien. Een energievretend fluctuatieproces dat weinig te maken heeft
met het doen van een aanbod waarvoor de klant al dan niet bewust kan kiezen, een
aanbod waarmee een school zich onderscheidt van de scholen in z'n
omgeving.
Een school moet in kunnen spelen op deze veranderingen en
uitdagingen, en vervolgens aan kunnen geven hoe hiermee omgegaan wordt. Een
school moet daarin een positie kiezen en moet dus, uitgaande van een visie op
onderwijs, een duidelijke missie en een voor iedere betrokkene heldere strategie
formuleren.
Het lijkt dus logisch dat competentiemanagement er voor moet
zorgen dat de onderwijsorganisatie, in ieder geval op P&O-gebied, met deze
veranderingen om kan gaan. Competentiemanagement moet in onze visie een
hulpmiddel zijn om te kunnen veranderen. Dat is de reden om
competentiemanagement in te voeren in een organisatie!
Naast beoordeling en
beloning zijn er nog andere P&O-activiteiten die onder de paraplu van
competentiemanagement vallen
Als we ons alleen zouden
bezighouden met competentiebeoordeling en -beloning, zou dat een gemiste kans om
te kunnen veranderen betekenen. Is het niet logischer eerst de nadruk te leggen
op werving & selectie (het inkopen van de juiste competenties) en op
training & opleiding (het ontwikkelen van de juiste competenties) alvorens
over te gaan tot competentiegericht beoordelen en -belonen?
Naast
beoordeling en beloning zijn er nog andere P&O-activiteiten die onder de
paraplu van competentiemanagement vallen. Centraal in het
competentiemanagementdenken staat de gedachte dat bepaalde competenties van
medewerkers van groot belang zijn voor het succes van de totale organisatie.
Door het competentiegericht inzetten van de in het figuur aangegeven
verschillende P&O-activiteiten kunnen de juiste en belangrijkste
competenties voor de organisatie toenemen. Maar hoe komt een organisatie tot het
vaststellen van de juiste en belangrijkste competenties?
Het begin: visie, missie en
strategie
Een visie op het onderwijs in de komende jaren is, om
als management richtinggevend te kunnen zijn, belangrijk. Hoe gaat het onderwijs
er in de komende jaren uit zien? Wat valt er te verwachten van de veranderingen
in het onderwijs? Interessante vragen, juist met het oog op de snel veranderende
samenleving.
Als hierover een beeld bestaat, volgt de wellicht nog wel
belangrijkere vraag: wat is de ambitie van de eigen organisatie in het
veranderende onderwijs. Wat wil de school daarin bereiken? Wat is de missie?
Kiest de school ervoor kwalitatief de beste te zijn of is de missie de grootste
te worden? Of wil de school, in z'n directe omgeving, uniek zijn? Door
bijvoorbeeld als enige probleemgestuurd of modulair onderwijs aan te bieden. Het
gaat dus om het positioneren van de organisatie. Als hierin een duidelijke keuze
is gemaakt, volgt de strategie: hoe wordt dit aangepakt?
Organisatiekenmerken
Als het management het plan van aanpak voor ogen heeft, is de
vraag: welke organisatiekenmerken zijn er nodig om de strategie uit te kunnen
voeren? Hoe moet de organisatie er uit zien? Hierbij gaat het om uiteenlopende
zaken zoals het 'functiegebouw' en de cultuur binnen de organisatie. Hoe moet de
organisatie aangestuurd worden? Hoe dient de besluitvorming binnen de
organisatie te verlopen? Hoe moeten we binnen de organisatie met elkaar om gaan?
Vragen die gesteld dienen te worden en waarop het management een antwoord moet
hebben. Met dit antwoord is de 'soll-situatie' in kaart gebracht. Om van hieruit
verder te kunnen komen dient de 'ist-situatie' duidelijk te zijn.
Wat zijn de
organisatiekenmerken op dit moment? Hoe kijkt men binnen de organisatie aan
tegen deze aspecten? Na analyse wordt duidelijk welke aspecten ontwikkeld moeten
worden. Nu is het zaak om, uitgaande van de missie, de strategie en de daarmee
samenhangende gewenste organisatiekenmerken, de 'bedrijfsprocessen' kritisch te
bekijken en zonodig aan te passen. Allereerst gaat het daarbij natuurlijk om het
primaire proces: het onderwijs. Maar ook de ondersteunende processen moeten
onder de loep genomen worden: organisatie en beheer, administratie, ict,
marketing en communicatie en, niet in de laatste plaats, P&O.
Functiespecifieke
competentieprofielen
Als het gaat om het P&O-proces kunnen nu
functies omschreven worden in de vorm van functiespecifieke
competentieprofielen. Hierbij is het belangrijk te bedenken dat, aangezien er
een duidelijk verband bestaat met de gekozen strategie en de daaruit
voortkomende gewenste organisatiekenmerken, het geen zin heeft om met een
algemene set van competenties te gaan werken. Wordt dit wel gedaan, dan wordt
feitelijk geen positie gekozen. Uitgaande van de missie, de strategie en het
onderwijsconcept is het de vraag of het wenselijk is dat alle docenten dezelfde
competenties moeten hebben of dat daarin differentiatie op z'n plaats of zelfs
nodig is. Bovendien is het belangrijk het hele 'functiegebouw' onder de loep te
nemen. Binnen de hierboven vermelde diverse bedrijfsprocessen spelen immers
allerlei functies in een school een rol.
Als de functies geanalyseerd en er
zijn functiegerichte competentieprofielen zijn opgesteld, kan vastgesteld worden
over welke kwaliteiten de 'functievervuller' dient te beschikken. Hiermee is de
basis gelegd om competentiegericht te gaan werven en selecteren en, nog
belangrijker gezien de krapte op de arbeidsmarkt, competentiegericht te gaan
ontwikkelen. Twee human resource activiteiten die volgens ons vooraf gaan aan
competentiebeoordeling en -beloning.
Persoonsgerichte
competentieprofielen/P.O.P.’s
Nu is het zaak om per medewerker een
profiel op te stellen van de aanwezige competenties. Het doel is om helder te
krijgen over welke competenties de betreffende medewerkers al beschikken en de
mate waarin deze ontwikkeld zijn. De profielen worden vervolgens vergeleken met
de functiegerichte competentieprofielen. Veel gebruikte methoden om een
persoonsgericht competentieprofiel op te stellen zijn: 360-graden feedback en
assessment. Maar ook een goed systeem van functionerings- en
beoordelingsgesprekken kan hiertoe dienen. Als bekend is welke competenties
voldoende aanwezig zijn en welke competenties nog ontwikkeld moeten worden, kan
gerichte actie ondernomen worden in de vorm van competentiegericht
ontwikkelen.
Naast de analyse van het verschil tussen huidige en gewenste
competenties, moet er nagedacht worden over de mate waarin competenties te
ontwikkelen zijn. Bepaalde competenties zijn beter te ontwikkelen dan anderen,
mede afhankelijk van onderliggende factoren zoals intellect, persoonlijkheid,
motivatie en interesse van de medewerker. Om te voorkomen dat veel tijd en geld
besteed worden aan activiteiten die weinig tot niets opleveren is het van belang
rekening te houden met de ontwikkelbaarheid van competenties. Even belangrijk is
het om, als vaststaat welke competenties ontwikkeld dienen te worden en zicht is
op de mate waarin dit mogelijk is, de methode van leren te kiezen (training,
intervisie, literatuur e.d.). Van elke competentie is bekend welke leermethode
het meest geschikt is. Tot slot moet de vraag beantwoord worden of de meest
geschikte leermethode ook aansluit bij de leerstijl van de betreffende
medewerker.
Als dit alles helder is, moet vervolgens de medewerker zelf
verantwoordelijk gemaakt worden voor zijn eigen ontwikkeling. Een Persoonlijk
OntwikkelingsPlan (POP) is daarvoor een systematische manier. Een bruikbaar
werkmodel hiervoor ziet er als volgt uit:
Werkmodel:
Belangrijk hierbij is dat de medewerker aangeeft welke competenties hij zelf wil
ontwikkelen, hoe hij dat gaat doen, wat hij daarvoor nodig heeft, wanneer hij
het wil doen en welk resultaat hij wil bereiken.
De organisatie zal, als ze
kiest voor competentiegericht ontwikkelen van medewerkers, faciliteiten ter
beschikking moeten stellen, zoals tijd en geld. In dit proces treedt de direct
leidinggevende op als coach en facilitator. Hij geeft uiteindelijk toestemming
voor de uitvoering van het Persoonlijk Ontwikkelingsplan en begeleidt de
medewerker in de voortgang en de beoogde resultaten.
Conclusie:
Het inzetten van
competentiemanagement zoals hierboven beschreven dient een helder en concreet
doel: het bewerkstelligen van verandering van kennis, gedrag en vaardigheden van
mensen opdat de veranderingen waarvoor de organisatie staat het hoofd kunnen
worden geboden. Competentiemanagement op deze wijze is breder dan alleen
competentiebeoordeling en -beloning. Competentiemanagement invoeren als een
systeem om vooral competentiegericht te gaan beoordelen en belonen is niet
logisch en is een gemiste kans.
|


Lees onze vorige nieuwsbrieven
hier, klik op de brief


|